Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STEELSTEEK, KETTINGSTEEK EN KNOOPJESSTEEK.

De in de beide voorgaande hoofdstukken behandelde steken werden alle afgeteld op de weefseldraden. Voor de thans verder te bespreken vormen moeten de lijnen van het patroon vooraf op de stof worden geteekend. De in dit en de twee volgende paragrafen te behandelen steken: de steelsteek, de kettingsteek en de knoopjessteek met hunne talrijke varianten en de festonneersteek, de taksteek en de vischgratensteek bovendien, komen meest voor bij het oude Engelsche crewel-work. Dit droeg dien naam naar den los gedraaiden wollen draad, half zoo dik als onze gewone zephyr-wol, waarmede het gewerkt werd en dien men crewel noemde. In de 18*» en de 17de eeuw werkte men daarmede op grof, stevig linnen bedspreien en gordijnen met eene rijke, kleurige ornamentiek van bladen, bloemen en vruchten van de grilligste vormen, alle ontspruitend aan éénen enkelen boom, wiens takken- en rankenwerk, vol van fantastische vogels groot en klein, over het geheele vlak werd uitgebreid, terwijl aan zijn voet herten en reeën, honden en jagers werden aangebracht zonder eenige inachtneming van verhouding of schaal. Een eikenblad, een vogel,

Sluiten