Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter ook zeer gevoegelijk heen en weder gelegd worden over de stof. De kleine bocht, die het gouddraad bij het keeren maakt, rondt den omtrek nog beter af; maar dat keeren eischt groot beleid en de draad mag daarvoor vooral niet te dik zijn. Bezigt men eene grove naald (om den draad beter door de opening te kunnen brengen) dan kan het keeren op de achterzijde geschieden; maar toch alleen bij zeer fijn gouddraad.

Gouddraad is stug en moet dikwijls met zachten druk gelijk worden gelegd. Dit kan men doen met eenen priem, met eene lange, tamelijk dikke naald. Een scherp gepunte schaar is hierbij onontbeerlijk.

Bij eene vlakvulling vormen de steken van het opnaaisel onvermijdelijkerwijze een patroon; het is daarom goed dit ook vooraf als vaststaand aan te nemen en dadelijk een patroon te kiezen, dat wil zeggen de hechtsteken te rangschikken in verticale, diagonale en kruisende lijnen. De proeflap op fig. 24 geeft daarvan tal van voorbeelden. Meest hebben deze patronen vroeger dienst gedaan bij middeleeuwsch kerkborduursel voor achtergrond van voorstellingen van heiligenbeelden en dergelijke. Soms is daarbij voor het ophechten opzettelijk eenen fijnen zijden draad van afstekende kleur genomen. De keuze van kleur en patroon voor ieder gegeven doel eischt natuurlijk oordeel en smaak. Want daar de hechtsteken nu eenmaal gelegd moeten worden, heeft de patroonteekenaar het in zijne macht den glans van het metalen oppervlak naar willekeur te versterken of te verzachten.

Bij middeleeuwsch werk en nu nog vooral bij kerkbor-

Sluiten