Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In nog sterker navolging van goudsmidswerk was sommig naaldwerk uit het tijdperk der Renaissance, waarbij men te kwader ure op de gedachte scheen te zijn gekomen om geslagen goud te willen nabootsen. Dit leidde tot eene veel te zware en te hooge vulling voor goudborduursel. In onze musea ziet men aan menig stuk naaldwerk uit de 17de eeuw tot welke hoogte reliefwerk kan worden opgevoerd en tot welke laagte de smaak bij kerkborduursel kan zinken.

De kostbaarheid van goud en zilver maakt het gebruik daarvan als aangewezen voor kerkelijke doeleinden en dergelijke en een hoog relief laat den glans van het metaal ongetwijfeld beter uitkomen. Maar men mag zich daardoor niet laten verleiden tot eene jacht naar veel vertoon. De kunstwaarde van goudborduursel hangt niet af van de kostbaarheid maar van den gloed, dien het edele metaal geeft aan de kleuren, die het in zijn spiegelend oppervlak weerkaatst.

Toegegeven, dat er reden is om bij goudborduursel te vullen, — het vangt het licht dan zooveel beter op — zoo moet men toch wel in het oog houden, dat ook de lichtste vulling hiertoe gewoonlijk reeds voldoende is.

Het opvullen wordt althans bij figurale voorstellingen licht overdreven, zoo licht zelfs, dat het misschien het veiligst is, zich slechts tot het allernoodigste te beperken. Zoodra men de figuren ook maar eene kleine ronding geeft, zien ze er dadelijk opgestopt uit. Dat zulke opgestopte beeldjes veel bij middeleeuwsch werk voorkomen, is maar al te waar; doch dat is nog geen reden om ze na te werken.

Sluiten