Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werk allengs het kunstambacht ging verdringen. In de tweede helft der 18de eeuw werd kerkborduursel gereed om op te naaien, een handelsartikel als ieder ander; door middel daarvan kon in twee of drie dagen worden geleverd, wat anders maanden arbeids had geëischt.

Maar zelfs al ware het in de middeleeuwen reeds de vaste gewoonte geweest (en dat dit noch toen noch lang daarna bij werkelijk fraai werk werd gedaan, bewijst fig. 38), om takken en figuren op linnen te werken en daarna op te leggen op eene andere stof, zoo zoude daar nog niet uit volgen, dat dit eene eerlijke, degelijke, nobele wijze van werken was. Men zie eens in onze musea, hoe bij vele werkstukken de heiligenbeelden los aan enkele half doorgesleten draden tegen den achtergrond bengelen, terwijl kleuren en gouddraad nog zóó frisch zijn, dat bij eene degelijke bewerking het stuk nog lang goede diensten had kunnen doen. — Als de steek het zichtbare middel is om eene versiering aan te brengen op de stof, dan moet hij ook op de stof gewerkt zijn. Het is zeker moeilijk om op fluweel te werken. De steken zinken weg in de staande draden; maar dat het gedaan kan worden, bewijst menig middeleeuwsch altaarkleed, waarbij uitvoerig rankenwerk met den steelsteek en den gespleten steek, aangebracht in verband met breede vormen van opgelegd werk, nog altijd uitstekend voldoet.

Voor kerkborduursel en voor wapens is het gebruik van goud en zilver aangewezen. Een casuifel, eene banier, kunnen schitteren en stralen van goud op kleurige stoffen zonder eenig gevaar van bont of smakelooste zijn; terwijl

Sluiten