Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men weet, dat er in het Oosten en voornamelijk in Egypte een klasse van vrouwen bestond, die, evenals de Indische bayaderen, een corporatie van danseressen, zangeressen en toonkunstenaressen vormde. Dit waren de Almeën, van het Arabische Almeh, dat geleerde wil zeggen. Hare zangen waren bovenal wulpsch en ofschoon zij bij familie-plechtigheden toegelaten werden, behoorden zij niettemin tot de klasse der groote lichtekooien. Zij, die zich aan het volk vertoonden, werden Gawasi genoemd. Men kon de eene zoowel als de andere zonder schande huwen: de zedenleer verzette er zich niet tegen en de godsdienst evenmin.

Er werden trouwens geen feesten zonder haar gegeven, geen partijen, waarvan zij het sieraad niet uitmaakten (1). Savary voegt er bij:

„De lenigheid van haar lichaam is onbegrijpelijk. Men is verwonderd over de beweeglijkheid harer gelaatstrekken, aan welke zij naar willekeur de uitdrukking geven, die voor de rol past, welke zij spelen. Dikwijls wordt de onbetamelijkheid harer standen tot het uiterste gevoerd. De blikken, de gebaren, alles spreekt, maar op een zoo veelbeteekenende wijze, dat het niet mogelijk is, zich te vergissen.

„Bij den aanvang van den dans leggen zij, tegelijk met haar sluiers, de schaamte harer kunne af. Een lang dun zijden kleed reikt tot aan haar hielen ; een rijke ceintuur omsluit haar zacht; de lange zwarte haren hangen gevlochten en welriekend over haar schouders; een als gaas doorschijnend hemd verbergt ternauwernood haar boezem. Naar gelang zij zich in beweging stellen, schijnen de vormen, de omtrekken van haar lichaam zich achtereenvolgens los te maken. De toon van de fluit, van de trom en der cimbaal

(1) Savary, Voyage en Egypte.

Sluiten