Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een ziekte aan de oksels gezonden heeft; welnu! zoo heeft de goddelijke toorn den neus van de meesten van u verwoest, vandaar ontstaat die bizondere klank, want uit welke andere oorzaak zou hij voortkomen? Het is het teeken der schandelijkste tot den waanzin gedreven ontucht en van de verachting der zedelijkheid. Uw taal, uw gang, uw blik, alles levert er het bewijs van."

Deze aandoening van den neus, die wijst op de verzwering van syphilitische puistjes van het slijmvlies en op de beenvreting van den neus, die er het gevolg van zijn, is ook door Ammianus Marcellus gemeld geworden in zijn beschrijving der zeden van de Romeinen ('): aut pugnaciter aleis certant, turpi sono fragosis naribits introrsum reducto spiritu concrepantes.

Het was niet alleen aan de stem, dat de pederast herkenbaar was, Aristoteles(*) teekende hem als volgt uit: „De pederast heeft een schuwen blik, de bewegingen deihanden zijn slap; hij gaat met de beenen over elkander slaande, de oogen zijn zeer beweeglijk. Zoo was de drogredenaar Dionysius."

Polemon(3) van zijn kant herkent den tweeslachtige „aan zijn kwijnenden en wulpschen blik, hij beweegt de oogen; hij ondervindt een groote beweeglijkheid en zenuwtrekken aan het voorhoofd en de wangen en samentrekkingen deioogleden; de hals is gebogen; de heupen zijn voortdurend in beweging; de knieën en handen schijnen gebogen; de blik is vast en recht vooruit. Hij spreekt met een fluitende, schreeuwerige en bevende stem."

(1) Ammiatus Marcellus, Kerum gutarum lib. XIV cap. 19.

(2) Physiognomicon, caj>. 3.

(3) Physiognomicon, lib. II.

Sluiten