Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierover moet men Lucianus (') lezen, terwijl hij zich tot den onwaardigen Timarcus richt, die zijn vrouw door de vuilste liefkoozingen bezoedeld had. „Welnu, waarom wordt gij woedend, als het volk nog eraan toevoegt, dat gij een fellator en cunnilingus zijt, woorden die gij even weinig schijnt te begrijpen als apophrus: mogelijk neemt gij ze als eervolle titels aan ? Of zijt gij er wel aan gewoon zonder het aan het woord apophrus te zijn? Wilt gij van uwe titels dien weglaten, dien gij niet kent?

„Ik weet al, wat gij in Palestina, Egypte, Phenicië, Syrië, Hellas en Italië doet en wat gij thans te Ephesus uitvoert, waar gij de kroon op uw werken zet.

„Maar gij zult nooit er in slagen uw medeburgers te overtuigen, dat gij niet aan hen allen walgt, dat gij het uitvaagsel van de geheele stad niet zijt. Gij boogt misschien op de meening, die men van u in Syrië had, waar men u van geen enkele fout, van niet een ondeugd beschuldigd heeft? Maar, bij Hercules, geheel Antiochië kent de geschiedenis van den jongen man van Tarsus, dien gij verdorven hebt; en evenwel past het mij weinig dergelijke zaken openbaar te maken. Al die zich op de plaats bevonden hebben, herinneren het zich en weten het zeer goed, wijl ZÜ u geknield gezien hebben om te doen, wat gij wel weet. indien gij het niet vergeten hebt.

„Maar toen men u op de knieën van den zoon van den kuiper Oinopion liggende verraste, wat dacht gij toen ? Hield men u toen niet voor zoo iets, toen men dergelijke dingen zag ? Bij Jupiter, hoe zoudt gij ons nog durven omhelzen na een dergelijke daad ? Liever een adder gekust! Want een

(1) Pseudologist (Opera) Cap. VIII.

Sluiten