Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt zij niet bewogen! Zij bevriest, zij verteert, of zij is geheel buiten zich zelve of zij sterft. In één woord, men zou zeggen, dat zij niet door een hartstocht aangegrepen wordt, maar dat haar ziel het verzamelpunt is van alle hartstochten ; en dit gebeurt werkelijk aan wie beminnen."

Catullius heeft een navolging van deze schoone ode gemaakt, maar zij is ongelukkig genoeg niet in zijn geheel voor ons bewaard gebleven. Hij droeg haar aan Lesbie op:

IUe mi per esse deo videtur.

Na hem heeft Boileau haar willen vertalen, maar hij is er slechts in geslaagd een kleur- en gevoelloos twaalftal alexandrijnen voort te brengen. De vertaling van Delille geeft een juister denkbeeld der saphische verzen (l). Men oordeele er over:

Gelukkig hij, die bij je toeft,

Op wien alleen je schoone oogen staren,

Voor wien deze lieve tonen en dit teeder lachen zyn !

Hij is gelijk den goden.

Van ader tot ader doorloopt een vluchtig vuur Mijn borst, zoodra ik je zie;

En door de onrust, waarin mijn ziel verkeert,

Verstikt mijn stem.

Ik hoor niet meer, een sluier dekt mijn gezicht,

Ik droom vol smachtend verlangen;

En ademloos, verstomd, verward

Beef ik en vermeen te sterven.

De Almanach des Muses van 1775 heeft een navolging van M. de Langcac opgenomen, die niet zonder leven is.

(1) Het saphische vers: een trochaeus, een spondeus, een dactylus en twee trochaeussen werd door Sapho gevonden.

Sluiten