Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men kan aan deze strenge oordeelvelling de schoone minnezangen tegenstellen, die zij ter eere van bruiloften en van haar liefde voor haar dochter Cléis maakte, van wie zij in een harer oden zeide: „Ik heb een schoon kind, welks schoonheid gelijk is aan die der chrysanthimen, Cléis, mijn welbeminde Cléis, die ik voor geheel Lydië niet zou afstaan." En indien Sapho werkelijk de gewaarwordingen der tegennatuurlijke liefde gekend heeft, was het door deze toch niet, dat zij het meest geleden heeft en waaraan men haar dood

moet toeschrijven.

Op een avond vertoonde zich een jonge man, van een uitstekende schoonheid, overeind in een bootje door de golven der fcee gewiegd, aan haar oogen; het was Phaon. Zij beminde, verafgoodde hem en slaagde er in zich weder te doen beminnen. Maar de liefde is onbestendig en Phaon vertrok weldra zonder terug te komen. Voor hem maakte zij vele harer gedichten en inzonderheid dezen lofzang op Venus, waarvan hier de vertaling volgt van M. P. de Sivry:

Geduchte Venus, die op Cyprus aangebeden U vermaakt door stervelingen te misleiden,

Verlaat Paphos en zijn altaren,

En kom de onrust stillen, waaraan mijn ziel ten prooi is.

O Godin! o Venus! gij weet, hoe dikwerf Gij uw troon verliet om op mijn stem te komen.

Eens voor mijn oogen, terwijl zij de hemelen doorboorden,

Daalden uw rappe vogelen, sneller dan de zephirs Met uw wagen van het azure gewelf;

Gij wildet toen zelf, beminnelijke Cytherea,

Mijn smart ondervragen en mijn verlangen streelen.

Sapho, zeidet gij mij met een lachenden mond Mijn Sapho! welk verdriet verbittert uw leed!

Van welke jonge ondankbare, wilt gij, nieuwe beminde, De liefdedrift boeien?

Sluiten