Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Romeinsche prostitutie was niet alleen het uiteinde van het wangedrag der vrouwen; men wierf voor haar ook maagden, die zonder slag of stoot in de ondeugd debuteerden, als slachtoffers der wulpschheid der amatores voorgeworpen.

„Als een ongelukkige, als een arm kind," zegt Pierre Dufour, „zich voor de eerste maal opofferde, was het feest in het lupanar; men hing aan de deur een lantaarn, die een ongewoon licht over den omtrek van de slechte plaats wierp; men hing om den gevel van het afschuwelijk heiligdom lauriertakken, die gedurende vele dagen de openbare zedigheid beleedigden en dikwijls werd na het volvoeren van het offer, de bedrijver van deze lage daad, die hij zeer duur betaalde, zelf met laurierbladen getooid, als hij het hol verliet. Deze onreine vijand der maagdelijkheid verbeeldde zich een schoone overwinning behaald te hebben en deed haar door muziekspelers vieren, die ook tot het personeel van de ontucht behoorden. Een dergelijk gebruik, door de edilen geduld, was een zooveel te bloediger beleediging der zeden, omdat de jonggehuwden, vooral onder het volk, een gelijksoortig gebruik bewaarden, door ook 's daags na de bruiloft de deur hunner woning met lauriertakken te versieren. „Ormntur postes et grandi juana lauro", heeft Juvenalis gezegd. Tertullianus heeft dit gebruik afgekeurd en gezegd: „dat zij uit hare deur durven komen, die, versierd met guirlandes en lantaarnen, als een nieuwe raadskamer der openbare zedeloosheid is."

Een niet minder belangrijke passage voor de geschiedenis der Romeinsche zeden is deze van Symphosianust1), waarin dit gesprek voorkomt:

(1) Symphosianus, Histoire d'Appolonius de Tyr.

Sluiten