Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vrouwen," roept hij uit, „waarom in uwen buik een moordend ijzer te steken, waarom het kind, dat nog niet leeft, vergif te geven."

Vestra quid effodi tis subj eet is viscera telis. Et nondum natis dira venena datis. Hij besluit zijn welsprekende elegie met deze slotrede: „Zij sterft na haar kind gedood te hebben en als men haar met loshangende haren op haar sterfbed draagt, roepen allen die haar zien uit: „Dat is rechtvaardig, dat is goed. Zij heeft het wel verdiend!"

Saepe, suos utero q u se necat, ipsaperit. Ipsa, perit, ferturque toro resoluta capillos: Et clamant, merito! qui nodocumque vident.

In de Heroïde laat Ovidius ons den brief na van Cassana aan haar broeder Macarea, van wien zij zwanger is: Mijne min had het eerst het voorgevoel van mijn zwangerschap; zij zeide mij: Dochter van Eole, gij bemint! Ik kleurde, de schaamte deed mij de oogen op mijn boezem nederslaan; dit zwijgen, deze bekentenis waren reeds beteekenend. Reeds rondde de last mijn ontuchtige lendenen en waren mijn zieke ledematen bezwaard door zijn heimlijk gewicht." Jamque tumescebant vitiati pondera ventri s,

Aegraque furtivum membra gravabatonus.

„Wat een kruiden, wat een medicamenten bracht mijn min mij niet, hoeveel liet zij mij niet stoutmoedig innemen," Quasmihi non herbas, quae non medicamina nutrix Attulit, audaci supposuitque manu;

„om, — en dat alleen hebben wij u verborgen, — den steeds grooter wordenden last uit mijn ingewanden geheel

Sluiten