is toegevoegd aan uw favorieten.

De prostitutie bij de volken der Oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedachten jegens elkander en ontvangen zij in zich zeiven de straf hunner dwaling.

Deze tuchtiging was, zooals wij zien zullen, de ziekten der voorttelingsorganen: vloeiingen, zweren, vijgwratten aan den aars. En hoe kon het ook anders zijn met de schandelijke gewoonte der onanie en sodomie, terwijl de vrouwen aan een nagemaakten phallos de gewaarwordingen vragen, die haar oververzadigde zinnen onmachtig zijn in den natuurlijken omgang te gevoelen en de mannen om hun vermogen op te wekken de hulp inroepen van prikkelende zetpillen, van schijnmiddelen, waarvan voornamelijk de wellustelingen gebruik maken, die door al de verfijningen der prostitutie verslapt zijn. Zij duidden die ontuchtige voorwerpen onder den naam van fascina aan, een uitdrukking die Petronius bezigt in de beschrijving der geheimen, „die aan de zenuwen al haar kracht teruggeven." Ziehier waarin die geheimen bestonden:

Sitnul que profert (Enothea scorteum fascinum, quod ut oleo et minuto pipere atque urticce trito circumdedit semine, paulatim ccupit inserere ano meo... Viridis urticae fascem comprehendit, omniaque infra umbïlicum ccepit lenta manu ccedere (').

„Op deze woorden brengt (Enothea een lederen phallos, bestrooit hem met peper en gestampte brandnetelkorrels, met olie verdund, en stopt hem langzaam in mijn aars... Daarna bestrijkt zij met een handvol versche brandnetels zachtjes mijn onderbuik."

Onnoodig te zeggen dat (Enothea een tooverheks, een priesteres, een afschuwelijk oud wijf was, die evenals al de

(1) Petronius. Latyricon Cap. CXXXVIII.