Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren dan ook de bevoorrechte minnaars der groote Romeinsche dames. In zijn zesde satire, die hij aan haar gewijd heeft, heeft Juvenalis de geschiedenis van haar schandelijke prostitutie verhaald, zooals wij haar in ons werk „la Medecine et les moeurs de la Rome antiqae" geschreven hebben. Persius heeft haar evenmin gespaard in zijn beoordeelingen en hekeldichten. En Petronius heeft haar beschreven als heur minnarijen in het slijk zoekende, daar hare zinnen niet meer ontwaken dan op het gezicht van een slaaf of een knecht met een opgeschort kleed. Anderen, vervolgt hij, zijn verzot op een zwaardvechter, een bestoven muilezeldrijver of een tooneelspeler, die zijn aanvalligheden op het tooneel vertoont. Mijne minnares behoort hiertoe: zij overschrijdt de banken van den Senaat, de veertien van de ridders en gaat in het bovenste gedeelte van het amphitheater het voorwerp van haar plebeïschen gloed zoeken.

Op zeker oogenblik, toen de Aziatische zeden zich in de Romeinsche maatschappij verspreidden, nam deze den grondregel van Aristippus aan: Vimmus dum licet esse, bene. Het leven had voor haar geen ander doel dan het genoegen, de feesten, de spelen van het circus, de tafel en den wellust. De comessationes, die voor haar zooveel aantrekkelijks hadden, waren feestmalen, die van 's avonds tot den morgenstond duurden, zwelgpartijen, waarbij Priapus, Comus, Isis, Venus, Voluptia en Lubentia voorzaten en die in dronkenschap, ontucht en uitputting van alle organische krachten eindigden. De dag was aan den slaap en aan de luidruchtige schaamtelooze vermaken in de openbare baden gewijd.

Om zich nauwgezet rekenschap te geven van de ondeugden en ongeregeldheden van het Romeinsche volk, moet men de satirische gedichten en vooral het Satyricon van Petro-

Sluiten