Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neiging een chronischen loop te volgen. Aretheus (l), Coelius, Aurelianus.

Men moet den druiper goed onderscheiden van nachtelijke zelfbevlekking, die dikwijls zelf slechts een secundair geval is. Coelius Aurelianus. (2).

Wat den druiper der vrouw aangaat is het schier onmogelijk een juiste kennis op te doen van wat de oude geneesheeren ervan wisten; omdat hun denkbeeld, dat het bedorven bloed van de stonden en van de vloeiingen het geheele lichaam van kwade sappen zuiverde, een waarneming zonder vooroordeelen volkomen verhinderde. Galianus. (3). Evenals in den nieuweren tijd de witte vloed langen tijd de oorzaak is geweest van een onvolledige kennis der stonden van de vrouw.

Zoo zijn dus de documenten, die de geneesheeren der Oudheid ons over de vloeiingen nagelaten hebben. Hun voornaamste dwaling bestaat slechts hierin, dat zij voor zaad aangezien hebben, wat slechts slijmige etter is, maar bezijden dit ziet men, dat hun waarnemingen met een zorgvnldige nauwgezetheid verzameld zijn.

Indien met betrekking tot de etiologie de Grieksche geneesheeren al niet de besmetting in het bizonder door den bijslaap gemeld hebben, wisten zij toch de ontucht als een der voornaamste oorzaken der ziekte te doen erkennen; voornamelijk de ontstekingen van den mond en der lippen der fellatrices door Aretheus beschreven en volgens hem van dezelfde natuur beschouwd als de Syrische zweren, die door een gelijke oorzaak ontstaan. Overigens zijn de pisbuisont-

(1) De morb. chron. lib. II. cap. 5.

(2) Morb. chron. lib. V. cap. 7.

(3) Galianus de Sympl. Causis. lib. III. Cap. II.

Sluiten