Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontcijferd geworden en slechts door hen onderricht zal ik trachten het bewijs erin te vinden voor de voorgedragen feiten over den oorsprong der prostitutie.

Menant in zijn opmerkelijk werk les Pierres gravées de la haute Asie et les cylindres de la Chaldee bestrijdt tot op een zeker punt de verklaring, door zijn voorgangers van deze zinnebeeldige figuren gegeven. Maar hij stemt toch toe, dat die gegraveerde steenen, keurige voortbrengselen van een werk van geduld en nauwgezetheid, een der belangrijke elementen zijn, waarmede men de kunstgeschiedenis deivolkeren kan opmaken. „Want de hebzucht, zegt hij, „dit de gouden en zilveren voorwerpen verandert, zou naar geen agaat of vuursteen grijpen." Deze steenen waren werkelijke kostbaarheden, die verschillende vormen weergaven: schijven, amandels, klossen... Eenigen dienden voor stempels, ringen, scarabeeën. Velen hebben den vorm van kegels en cylinders. De cylinder heeft gewoonlijk een hoogte van 2 tot 5 centimeter; hij is volgens zijn as doorboord; de teekening bevindt zich op de bolle zijde en de figuren worden dikwijls door legenden vergezeld. Deze kenmerken overigens de herkomst en laten dus toe, Chaldeeuwsche, Assyrische, Egyptische, Phenicische en Persische cylinders van elkaar

te onderscheiden.

Menant heeft een groot aantal Aziatische cylinders beschreven ; hij is erin geslaagd een godenleer vast te stellen, waarin de opperste god, Hou, voorgesteld wordt in den vorm van een menschlijk borstbeeld, uitloopende in veeren en vergezeld van twee uitgespreide vleugels. Onder hem staat een drie-eenheid van groote goden: Samas, de god-zon, zinnebeeldig voorgesteld door een lichtende schijf; Sin, de godinmaan, door een halve maan; Mar, een andere groote godin

Sluiten