Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op n°. 812 Mylitta en Anaïtis. Voor deze staat een priester; Mylitta heeft de priesteres Koun der Egyptenaren voor zich en in haar hand heeft zij den schepter van boven met een bloem en twee Urmus.

De Mir was het teeken der goddelijkheid; het goddelijk symbool wordt voorgesteld door een kleinen dobbelsteen met afgeronde hoeken, op zijn zij- en onderkanten door talrijke stralen omgeven. Hom is de boom des levens, de heilige boom, de boom der kennis. Hij neemt verschillende vormen aan op geenerlei wijze de horna herinnerende, waarvan men de takken slechts met een eerbiedig ceremonieel afsneed gelijk aan dat der druïden voor den heiligen eiken-mistel.

Wat de Otéis aangaat, dit is een ruit, waarvan de hoeken der kleine middellijn afgerond zijn en in wier midden een zeer duidelijke punt zich bevindt.

Wij zullen de uitlegging niet bespreken, die men aan die teekeningen moet geven, maar wij zullen bij andere echte en talrijke zinnebeeldige monumenten stilstaan, die hun getuigenis komen voegen bij de geschreven gedenkteekenen, om te bewijzen, dat bijaldien de prostitutie niet door de burgerlijke wetten van Griekenland geoorloofd was, wij haar toch moeten begrijpen onder het aantal godsdienstige gewoonten, die met den Aziatischen eeredienst van Venus bij de Grieken inheemsch werden. Onder deze gedenkteekenen kunnen wij verscheiden aanhalen uit de verzameling van Durand door de Witte beschreven, onder anderen twee vazen, twee bekers en een gegraveerden steen. Een der vazen vertoont ons een Venustempel, waarin een lichtekooi door de tusschenkomst van een slaaf het voorstel van een met mirte gekroond vreemdeling aanneemt, die buiten het portiek geplaatst is en een beurs in de hand houdt.

Sluiten