Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat een klein altaar, waarop een pijnappel; een brandende fakkel is daar gereed voor het offer. Een bacchante, op een berenhuid uitgestrekt, rust wellustig in een houding uit, die weinig twijfel over de oorzaken van haar vermoeidheid overlaat. Eindelijk aan het einde van het bas-relief zet een vrouw, als sater vermomd, zich zelf op het attribuut van een Priapus-Hermes.

Plaat VIII stelt een offerande aan Priapus voor. Dit basrelief wijst op een onloochenbaar feit der gewijde prostitutie. Het is de voorstelling van een der wreedste plechtigheden van het heidendom. Verscheidene vrouwen geleiden een jong meisje, dat men veronderstellen kan de bruid te zijn, naar een standbeeld van Priapus; de ongelukkige staat reeds op het punt het offer harer maagdelijkheid te brengen. Zij alleen van de troep is geheel naakt: zij buigt het hoofd met een beschaamd en droevig gelaat en steunt op den schouder van een oude vrouw, haar moeder misschien! Niet ver van daar speelt een klein meisje op de dubbele fluit, om de kreten te overstemmen, die de smart aan het slachtoffer zal ontrukken; verderop een oude vrouw, op een knie liggende, beschouwt zij dit tooneel en schijnt ongeduldig te worden over de aarzeling, die de jeugdige echtgenoote aan den dag legt.

„Men kan vermoeden," zegt Famin, „dat deze onreine regel niet lang bestond ; maar het is geoorloofd te veronderstellen, dat de priesters van de valsche godheden tot hun voordeel de publieke lichtgeloovigheid exploiteerden en zich zelf in de plaats van de gevoellooze afgoden stelden. Men ziet in den tempel van Isis, te Pompei, op het altaar, waarop het beeld deigodin geplaatst was, een hol voetstuk, waar in men door een verborgen trap kon komen, die in het verblijf der priesters uit kwam. Hierlangs ging de schurk, die het beeld liet spreken."

Sluiten