Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenals tusschen Roomsch-Katholieke en Protestantsche burgers. Echter moet men zich dien afstand niet te groot voorstellen; Vondel immers bleef lidmaat der Doopsgezinde gemeente lang nadat hij zijn eerste tooneelstuk terBrabantsche Kamer had doen vertoonen; al werd hij Katholiek, hij verloor daardoor volstrekt niet al zijne vroegere vrienden.

De betrekking tusschen de bewoners eener buurt onderling was in het Amsterdam der zeventiende eeuw vriendschappelijker dan tegenwoordig, ten minste onder de gegoede en hoogere standen; het was de verhouding die men nu nog in de arme buurten hier en daar terugvindt. Eene buurt vormde, in hooger mate dan nu, zekere éénheid: geschillen tusschen echtgenooten werden wel eens door den buurtmeester beslist, al zal dit wel voornamelijk bij de minder ontwikkelden zijn voorgekomen ; de bewoners eener zelfde buurt haalden den ouderlingen band nauwer toe op buurtvergaderingen, feestjes waar het vaak ruw toeging : de jongens van verschillende buurten waren elkaar niet zelden vijandig — slechts een staaltje van het Nederlandsch particularisme — en leverden elkaar gevechten: zij vormden eenheden die elkander afstieten.1

Zoo is het dus niet vreemd, dat wij vooral in de eerste helft der 17de eeuw verscheidene Warmoesstraters in Vondels verzen aantreffen : Claerken van Tongerloo, die in 1605 huwde met den te Hamburg gevestigden Keulenaar

1. Vgl. b.v. Breeroo's Iludd'rick ende Alphonsua vs. 119—122:

Hoe dickwijls pleegh ghy ons buurjongens uyt te locken,

Om teghen ons te slaan met kneppels en met stocken.

Sluiten