Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ters te ver uiteen; elk hunner had een Gascogner wien hij hooge vereering toedroeg; doch die van Hooft was Montaigne, wijsgeerig menschenkenner, geestig en geleerd schrijver, sceptisch in vele dingen behalve ten opzichte van godsdienst en deugd, behagelijk op zijn kasteel levend en studeerend en peinzend in een tijd van woeling en feilen hartstocht — die van Vondel was Du Bartas, vurig en overtuigd Calvinist, pompeus en geleerd dichter die meer dan eens het verhevene nadert of bereikt, gestorven ten gevolge van wonden en vermoeienissen in den oorlog bekomen en geleden. Voor Hooft was Montaigne de „godlijke Gascoen," voor Vondel slechts een „wijze man". Wanneer men Hooft, naar aanleiding van Vondels Eeuwgety der Heilige Stede, uit de koele hoogte zijner meewarigheid hoort zeggen: „My deert des mans die geenes dings eerder moede schijnt te worden dan der ruste," dan is het ons alsof wij Montaigne met voornaam medelijden hooren spreken over den heldenmoed betoond bij het beleg en de verdediging eener vesting. 1

Veel waard was het voor Vondel, dat hij door Hooft in aanraking kwam en langen tijd bleef met anderen die hem blijken gaven van vriendschap en waardeering. Zoo o. a. met de familie van Laurens Joosten Baeck in wiens huis hij de vervolging wegens de uitgave van Palamedes ontdook ; in dat huis, „een Parnas van wetenschappen" volgens Brandt „daar men de fraaiste geesten onthaalde en de loffelijkste kunsten koesterde," kwam Vondel blijkbaar niet zelden, evenals op hunne hofstede Schey-beeck bij Beverwijk

1. Hoofts Brieven ied. Van Vloten) IV, 182—183 en Essais de Michel (1e Montaigne (Paris, Hachette et Cie. 1872) Livre I, Chap. 38.

Sluiten