Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vondel niet geschreven; het sonnet „Dedicatie aen deJonckvrouwen van Vrieslandt ende Overysel", dat vóór het liedboek De nieuwe Lusthof staat, kan bezwaarlijk als zoodanig gelden; misschien was het gemaakt op verzoek van den uitgever Dirck Pietersz. Pers, die uit Emden geboortig was en zijn liedboek door deze opdracht in dat deel des lands aantrekkelijk wilde maken. Mogelijk was het Oorlof-Liedt, ook een van Vondels vroegste stukken , aan een bij den dichter bekend „schoon jeughdigh dier" gericht; maar aan den anderen kant moet men niet vergeten, dat vele van zulke gedichten gemaakt werden slechts omdat zij tot de modepoëzie dier dagen behoorden.

Wat voor een vrouw was Mayken de Wolf? Veel weten wij daarvan niet. Zij was „een kloeke en verstandighe huishoudster" zegt Brandt; een bekrompen vrouw kan zij bezwaarlijk geweest zijn: ware zij dat geweest, zij zou niet de gansche zorg voor de kousennering op zich genomen hebben, om haren man de vrije hand te laten in zijne liefde voor kunst en wetenschap. Dat zij wel in het werk van haren man deelde, belang stelde in hetgeen hem belang inboezemde, blijkt ons uit de anecdote door Brandt verhaald : hoe zij op zekeren morgen terwijl Vondel boven op zijne kamer aan Palamedes werkte, aan de trap riep: „Man, de Prins leit en sterft", eene tijding die toen uit den Haag gekomen was. Ook moet er wel eenige reden voor bestaan hebben, dat de dichter, waar hij in het lijkdicht op zijne vrouw hare schim sprekend invoert, zich zei ven door haar laat opwekken zijn heldendicht op Konstantijn den Groote te voltooien. Echter voltooide hij het niet; de lust in dat werk begaf hem na haar dood,

Sluiten