Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij kon er niet toe komen het weer op te nemen en toen hij het deed was het om te verscheuren wat er van gereed was. Wij mogen wel aannemen dat er eene innige verhouding heeft bestaan tussehen Vondel en zijne vrouw:

Uw vriendschap, uw gedienstigheen Staan eeuwig in mijn hart geschreven

zegt hij in het lijkdicht waaruit oprechte droefheid spreekt. Barlaeus wekte Vondel op — alle harten bij zijn eigen — een tweede vrouw te zoeken, maar deze die trouwens de vijftig reeds naderde, gaf geen gehoor aan dien raad.1 Van de verhouding tussehen Vondel en zijn zwager Hans weten wij niets behalve het naar aanleiding van Palamedes medegedeelde; daaruit zou men opmaken dat de sympathie tussehen beide niet sterk was, doch dit eene gegeven is niet voldoende ter oplossing van die vraag. Van een andereu zwager, Abraham de Wolf, schijnt Vondel veel te hebben gehouden; de toon waarop hij dezen toespreekt in de Voor-reden van den hem opgedragen Gulden Winckel (1613) is tenminste zeer hartelijk. Opmerkelijk is, dat deze Abraham naar alle waarschijnlijkheid Roomsch-katholiek is geworden of geweest.2 Toen Mayke de Wolf stierf, had de dichter reeds twee

1. Vgl. Poemat II, 209: Ad Justum Vondelium cum a Constantino et Helena ad amores ipsum revocarem.

Paulisper jam vive tibi et quaere maritam

Et post castra, velis mitia castra sequi:

Quin aliam thalamis Helenam genialibus infer, etc.

2. Hoe anders vs. 89—92 dier Voor-reden te verklaren waar de dichter, van zijne Muze sprekend, zegt:

Aireede is sy verblijd, misschien omdat den zegen

Die hy te Roomen heeft zoo goedertieren kregen Van zijne Heyligheyd, hy enz.

Sluiten