Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Inwying van 't Gelaurierde Priucebeeld op den Schouwburgh" bezingt en eindigt met den fraaien slotregel: „Weest leidstar uwes volx en schermheer van 't gewisse" of waar hij den zegevierenden veldheer eene „Stedekroon" opzette, toen bij Maastricht

in Parmaes rypen oegst Oranje (kwam) de strenge zeissen slaen.

Van den zoon van zulk een vader koesterde Vondel de schoonste verwachtingen: „Prins Willem brengt ons weer te voorschijn d'oude tijen, 't Is bruiloft in de wey, 't is boter tot den boöm" had hij in de Geboortklock voorspeld; „Bewaer uw grootvaers naem, verstand en oorlooghsmoed" had hij den „kleenen zoeten knaep" toegeroepen en later bij zijn huwelijk: „Helpt zoo Vrijdoms Tempel bouwen." Droevig zou hij in die verwachtingen teleurgesteld worden.

Hierboven vermeldde ik terloops hoe sterk de band was die Vondel verbond met zijn volk. „De liefde tot zijn land is yeder aengeboren" doet hij Broer Peter aan het slot van den Gysbreght zeggen; doch eerst in de zestiende eeuw was ons volk onder den invloed der Renaissance zich van die liefde bewust geworden; de bewustheid van dat gevoel deed het gevoel zelf toenemen in kracht en te meer naarmate de zelfstandigheid van ons volk grooter werd. Vondels liefde tot zijn land, „het lieve vaderland", gelijk hij het meer dan eens noemt, 1 openbaarde zich allereerst in

1. Vgl. b.v. Hymnns1 over de Scherps-vae-t vs. 275; Vaderen vs. 78, waar het niet in het oorspronkelijke voorkomt: »les erreurs d'un si facheux exil" is vertaald met: »Nae d'eensaem ballinghschap sijns lieven Vaderlants."

Sluiten