Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenover de Republiek — van des dichters liefde voor zijne stad geveti deze verzen een onwraakbaar getuigenis.

Niet minder levendig is Vondels belangstelling in al wat de Republiek betreft. Hij volgt hare stoute zeevaarders van de Noordpool tot in Indië en naar Amerika's zuidpunt. Mocht hij in de Warande der Dieren (No. XXI) gesproken hebben van

dat zotte volck dat met een ydel hoop

Een vaert langs 't Noorden zoekt spijt der naturen loop

in datzelfde stuk noemt hij hen toch ook reeds „stoute zeegezellen" en later spreekt hij slechts met bewondering van de mannen „die daer de naelde swijmt" naar „vrijen pas gestaen" hebben. 1 De roemrijke tochten en belegeringen van Maurits en Frederik Hendrik vervullen den dichter met vreugd; de niet minder roemrijke zee-oorlogen met Engeland doen telkens weer het oude vuur in zijn gemoed opvlammen. Hoe baadt hij zich in de glorie van zijn land, wanneer hij Van Galen de scheepskroon op het hoofd zet. Juichend bijna is die aanhef:

Zou de Leeuw van Hollandt flaeuwen Na een zeegevecht of twee ?

Neen ! hy slaet al weer zijn klaeuwen Op de Middellantsche zee.

En dan dat triomfantelijk slot: „Dat heet eerst de Straet te vegen // Van dit heilloos schuim en slijck!", „dat heet nu de zee bevrijen!" Al onze vlootvoogden van beteekenis, Maarten Harpertsz. Tromp en De Ruyter bovenal, zijn

i. Palam. vs. 126. Ook Gysbreght vs. 1840—1841:

Verheft uw stad haer kroon tot aan den hemel toe En gaet door vier en ijs een andre wereld vinden.

Sluiten