Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't Lof van Jubal noemt hij de muziek van snaren-instrumenten eene nabootsing van den zang der engelen.1 Van eene Maria Magdalena door Titiaan zegt de dichter:

't Godvruchtigh wezen en gelaet,

Die mont en borsten, waert gekust,

Bekooren niemant dan met lust Tot Godt en Jesus, nu verhooght.

Het gedicht eindigt in een gebed tot Maria Magdalena om hare bescherming.2 Eenige verzen „op de Afbeeldinge van Isabelle Benzi" worden besloten met dezen regel: „Daer Godt het schoonste blijft en zonder wederga" en eenige andere op datzelfde portret vangen aan:

Dees Schoonheit wort met recht van kenners aangebeden,

Of liever Godt in haer die op de Godtheit wijst,

De bron van al het schoon. 3

Wat zijn Segers' bloemstukken en Snijders' landschappen, wat de verscheidenheid van Rubens' „troniën" bij de kunst van Hem die „plant en kruit en bloem en lover" zoo rijk weet te schakeeren,

Die zulk een regenboogh en krans van bloemen maelt,

In paeu en papegaey en fenixveeren praelt,

En levende festoen, gewasschen aen de boomen,

die zulk eene „verscheidenheid van onnavolghbren aert" ten toon spreidt op Zijne heerlijke aarde.4

De poëzie moest deugd en godsvrucht bevorderen. Reeds vroeg was Vondel van die gedachte doordrongen. In de

1. 1671 (Ovidius fff) bl. 399.

2. 1648-1651, bl. 102.

3. 1657—1660, bl. 304—305.

4. Bespiegelinyen van Godt en Goiltsilietist III, vs. 310 vlgg.

Sluiten