Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorreden van den Gulden Winckel noemt hij als het oogmerk en doelwit van alle schrijvers: „het schoon bekranste // Beeld van d'oprechte Deughd, de Bruyt daer 't al om danste" en veel later, in den Brief aen Bertholdus Niehusius spreekt hij de verwachting uit dat „nu Dnitschland adem schept na veel geleden smarten", het zaad der letteren, in de akkers der harten geworpen , zal „spreien eenen geur van billijckheid en tucht // Godtvruchtigheid en trou." Onder de deugden van De Groots Sofompaneas noemt Vondel, dat „de toehoorder word aengemaent tot vrede en vromigheid, de vorst tot rechtvaerdigheid en Godvruchtigheid, de gemeente tot gehoorzaemheid aen God en den koning en haere wettige overheid." In het „Berecht" vóór Jeptha wordt afgekeurd dat „de schouburgh, ten nadeele van het staetgezagh, eene school van gebreken en niet van deughden streckt."

Dat Vondel de onderlinge verwantschap der kunsten besefte, blijkt ons eveneens op meer dan eene plaats in zijne werken. In den aanvang zijner vertaling van Horatius' Lierzangen , opgedragen aan het Sint Lucas-gild, lezen wij : „Hoewel elcke Kunst haer eige bepalinge heeft, nochtans worden zommighe Kunsten door eenerhanden bant van onderlinge gemeenschap verknocht en gelijck vermaegschapt; hoedanige zijn Poëzy, Schilderkunst, Beelthouwery, en andere kunsten, die, tegelijck op maet en getal gegront, de Wiskunst niet ontbeeren mogen"; verder vinden wij hier vernield, dat de poëzy „doorgaens een Gezang genoemt wort" en dat zij zich van oudsher bediend heeft van muziek en „zingende en dansende reien." In de Opdracht van Gebroeders vinden wij eene overeenkomst aangewezen in de

Sluiten