Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Misschien heeft hij in zijne jeugd Overijsel en Friesland bezocht1; eens is hij, naar het schijnt, te Brugge en te Hasselt in Limburg geweests; voor het overige bepaalden zich zijne uitstapjes tot Muiden, Hoorn (waar zijne zuster Katliarina woonde), de Beverwijk en het Gooi.

Over de onmiddellijke omgeving van Amsterdam spreekt hij zeer weinig; nergens vernemen wij uitingen over eene wandeling langs den Amstel en Spieghels Meerhuizen, over de talrijke fraaie buitentuinen in de Diemermeer en elders, over de vele hofsteden bij Sloten en andere dorpen in de buurt. Echter moet men alleen daaruit niet opmaken dat hij geen oog had voor hetgeen daar aan natuurschoon te genieten viel; op meer dan eene plaats in zijn werk zien wij dat de natuur hem wel voor den geest stond, al was hij niet buiten. Het „ruischen der boomen langs de cingelgracht" 3 ontging zijn oor niet, zoo min als /.ijn oog de verwoestingen door den scherpen noordenwind aangericht in bloesems en bloemen. In zijne treurspelen en kleinere gedichten vinden wij telkens vergelijkingen aan het leven der natuur ontleend; zoo b. v. in den Kersnacht :

Soo velt de zeyn de korenaren,

Soo schud een buy de groene blaren,

Wanneer het stormt in 't wilde woud,

1. Men vermoedt dat wegens de door hem gedichte »Dedicatie aen de Jonckvrouwen van Vrieslandt ende Overijsel", vóór het liedboek Den nieuwen Lusthof geplaatst; doch hij kan die Dedicatie ook wel gedicht hebben op verzoek van zijn vriend Pers, den uitgever, die een Embdenaar was.

2. Vgl. den Zegezang (Van Lennep-Unger, 1637—1639, bl. 129).

3. Vgl. Van Lennep-Unger, 1648—1651, bl. 111 (bruiloft van Agnes Block) en 1642—1645, bl. 194 (Huig de Groot).

Sluiten