Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging: tle gloor der zon die op het water beefde // Met stralend spiegelgoud", water „waerin sich bevend loof en maenlicht spieglen ging", de wind in het wuivend koren, bloemen en vogels. Gedurig treffen wij in zijne poëzie vergelijkingen en beelden aan, ontleend aan bloemen: de onschuldige kinderen vermoord te Bethlehem — vroeg verwelkte bloemen; de doode nonnen ter aarde gevallen en in het rond liggend, „gelyk een krans van roozen;witen rood"; de heilige maagden — leliën onder doornen groeiend, rozen op scherpe doornehagen; Maria Stuart — „Roomsche roos, versch gesneden van (haren) steel"; Maria Blaeu en Isabella le Blon — de schoonste bloemen duren kort. Vondels oog wordt getrokken evenzeer door kuische palm, wit ligustrum en viooltjes, gestrooid voor de voeten eener bruid, als door het droefdonkere roosmarijn in de lijkkransen van zijn dochtertje, zijn dartel Saartje en van zijne kleindochter Maria. Hoe gaat zijn oog te gast op pracht van kleuren, waar hij in de Geboortklock de kleinooden der bloemgodin te pronk zet:

Violen loken op bestipt met lieflijckheden De roosen trocken aan een roodigheyd als bloed,

De tulpen blinckend goud , jenoffels eenen gloed Van purper onder 't sneeu

Besiet eens dat yvoir, die vlammende robijnen,

Dat goud en dien turkois.

Geen wonder dat de dichter „die 't licht eerst zag in een viool'", die zich een lijkkleed wenschte van bloemen, geschakeerd van „violet, wit, purper, blaeu en rood, in-

1. Toespeling op den naam van het huis te Keulen aZtir Fyole" waarin hij geboren werd.

Sluiten