Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

carnaet en paers en geel", dat hij hoog liep met den bloemschilder Daniëls Zegers, evenals hij overgegaan van het Protestantisme tot het Katholicisme.

De wilde vogel die zingt: „al d'ope lucht is mijn", was voor Vondel het symbool der vrijheid die hem zoo na aan 't hart lag. Reeds in een zijner vroegste stukken vinden wij die warme sympathie met den vogel wien zijne vrijheid ontnomen is; in het Pascha lezen wij (vs. 1415):

Oft schoon 't wilt voghelken met lust Int korfken tiereliert en fluytert En inde traly, twijl het tjuytert,

Verdient 't ghekochte zaedt gherust —

'T zou liever iride tacxkens schieten En klieven met zijn vlercxkens locht Den blauwen Hemel, zoo het mocht Slechts mugher synen kost ghenieten.

Toen reeds werd zijn oor gestreeld door „den blijden Echo van de zoigheloose voghels" en zijn gansclie le\en door is dat zoo gebleven. Reeds vóór Shelley en Coleridge had Vondel den leeuwerik gehoord wiens „keeltjesteiltjes steigert," was hij getroffen door dien overvloed van zilveren klanken stroomend uit de keel van den nachtegaal met zulk eene volheid en kracht dat het schijnt alsof het onaanzienlijk bruingrijs vogeltje er onder zal bezwijken. 1 De ziel die God zoekt en verlangt naar het eeuwig leven, doet hem denken aan den nachtegaal.

1. Van Lennep-Uuger, 1Ü26-1629; bl. lfiO en 1641-1642, bl. 105: »De nachtegael verheft de klancken uit zijn kracht // En loopt gevaer dat hy zal barsten door dit brallen". Opdracht van Virgilius (poëzie) vs. 39-40: «Den schellen nachtegael die voor uw lustprieel ;/ zich uit den adem zingt op 't orgel van zijn keel." Faëton, vs. 179: »De nachtegael. enckele stem en pluim" Imet herinnering aan Marini'. verzen, door Tesselschade bewerkt).

Sluiten