Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1624—1627 werden de Waterlandsche Doopsgezinden te Amsterdam, waartoe Vondel belioorde, in opschudding gebracht en gehouden dooreen strijd tusschen hunne leeraren Hans de Kies en Nittert Obbesz. Duidelijk blijkt in Vondels gedicht Antidotum hoe zeer zijn gemoed door twisten als deze geschokt werd, hoe zeer hij behoefte heeft aan vastheid; in den aanvang klaagt hij:

Gods woord ghegoten word in allerhande vormen

Van 't wispelturigh breyn; een Christen door veel stormen

Beproeft en afgemat; na 't een volght 't ander wee :

De waerheyd als een rots in 's weerelds wilde zee

De woeste baren stuyt der sinnen die oneven

Steeds worden van den wind der leeringen gedreven.

Wie het eens is met dwepers als Schwenckfeldt, „syn vastigheijd verliest en tuymelt gants onseker"; de psalmen geven reeds nu steun en troost aan zijn „bangh gemoed", daar vindt hij den staf waarmede hij zich weer op weg begeeft „na 't altijd-durend leven," vastbesloten „Swinckvelds geest" te schuwen. 1

Het was niet de eerste maal dat Vondels gemoed zoo in beroering gebracht werd door godsdienstvraagstukken; den strijd tusschen Gomarus en Arminius en dien hunner volgelingen van weerszijden had hij met belangstelling gevolgd; immers die twistvragen waren geene theologische hanrklooverijen, doch raakten volgens Gomarus den grond der zaligheid.

Er was in die twisten tusschen Contra-Remonstranten eu Remonstranten weinig of niets wat Vondel zou kunnen aanlokken zich bij de Hervormden aan te sluiten; er was

1. Vgl. Van Lennep-Unger, ltiStti—1629, bl. 50—54.

Sluiten