Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral in de sterke Oontra-remonatrantsche partij veel wat hem moest afstooten. In de eerste plaats hunne leer: reeds in 1622 kan hij geene woorden vinden sterk genoeg om lucht te geven aan zijn afschuw van Calvijn:

Dien grouwel, die 't vergift, schenct uit een goude kroes En 't lieflijck aenschyn Gods afschildert als de Droes. '

en later stort hij al zijne opgekropte verontwaardiging, ergernis en afschuw uit in de onstuimige verzen van zijn Deeretum Horribile. Doch niet alleen de leer hield Vondel van de Contra-remonstranten verwijderd: hun gewetensdwang ergerde hem die de vrijheid zulk een kostbaren schat achtte; Bogerman en Geldorp zeiden: er mag maar ééne religie in den staat zijn, alle ketters moeten uitgedreven worden, beter eene verlaten stad dan eene handeldrijvende vol sectarissen en Baudartius was het geheel met hen eens.1 Smout schreef een „seyndtbriet" niet alleen tegen de Katholieken — dat was begrijpelijk — maar ook tegen de Doopsgezinden; dat een andere geloofsovertuiging recht van bestaan kon hebben nevens die van zijne partij, ontkende hij. De heerschzucht van voorname Contra-remonstrantsche predikanten als Smout, Trigland, Cloppenburg, grootendeels krachtige mannen, geleerden en geoefende redetwisters, wekte zijn wrevel en ergernis. In 1619 na Gldenbarnevelt8 terechtstelling spreekt hij reeds schimpend van de Dortsche Santen" en den „krachteloosen Paepenblixein" 3, in 1623 vaart hij uit tegen de predikanten die misbruik maken van den kerkelijken ban:

1. Vgl. het Lyckdicht op... D. Conradus Vorstius, Van Lennep-Unger,

1621—4625 , bl. 42-43.

2. Rogge, Utenbogaert I, 179; 11, 19.

3. Geuse-Vesper en Krachteloose Paepenblixem.

Sluiten