Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft geen succes gehad. Het voormalige IJ heeft na drooglegging een zeer goeden bodem opgeleverd.

Doch niet alleen op de kusten, ook in het land zelf is in de bodemgesteldheid veel veranderd. Het meest alweer Droog- in de lage westhelft, waar, vooral in Holland, makerijen, vele meren — meest vroeger tot op den kleibodem uitgeveende plassen zijn drooggemaakt. Deze droogmakerijen of meerpolders, gewoonlijk door een ringdijk en een ringvaart omgeven, zijn de laagste gedeelten des lands (zelfs tot ongeveer 5 M. — A.P.). 't Zijn nu dus ook polders, maar zij onderscheiden zich van de omliggende door lagere ligging en veelal ook door hun kleibodem; de andere bezitten nog hun veenbodem en zijn dus veenpolders. De droogmakerijen ten N. van het voormalige IJ (Heemster, Schermer, P11 mier, \\ ormer enz.) zijn grootendeels voor veeteelt in gebruik, ten Z. van het voormalige IJ (Haarlemmermeer, Zuidpias pol der, 1'rinsAlexanderpolder enz.) zijn ze meest bouwland geworden. Veen- In de oosthelft des lands hebben de hoogveenkoloniën. streken de grootste verandering ondergaan. \\ aar men op stelselmatige wijze door het graven van een stelsel kanalen in de venen zoowel voor den waterafvoer als voor 't vervoer van turf — de hoogvenen heeft afgegraven, zijn veenkoloniën ontstaan, die tot welvarende, nijvere dorpen aangroeiden. De meeste liggen in Groningen (Veen dam, Wildervank, Sappemeer, Hoogezand, enz.), Drente (Hoogeveen, Smi 1de, XieuwBuinen, enz.) en Friesland (He eren veen, Gorredijk, Drachten, enz.); ook Overijsel heeft er (D e d e m s vaar t) en in de Peel vindt men Hele na veen. De ondergrond der hoogvenen, een zandbodem , is door doelmatige bemesting een zeer bruikbare bouwgrond geworden, waar vooral aardappelen, rogge en haver worden verbouwd.

In de oosthelft des lands heeft het gemeenschappelijk bezit der heidegronden lang de ontginning tegengehouden. Sedert men begonnen is deze te verdeelen, maakt de ontginning ook hier meer vorderingen.

Sluiten