Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Castilië en Leon (800 M.), en een zuidelijke, die van Nieuw-Castilië (650 M.). Deze hoogvlakten hebben een droog vastelandsklimaat; de Spanjaarden zeggen van Madrid, dat het negen maanden zomer en drie maanden hel heeft. De noordrand van de hoogvlakte wordt gevormd door het ten deele ertsrijke Cantabrisch-Asturischgebergte; Bilbao voert veel ijzer uit. In 't \\V., in Galicië, dringt de zee in de dalen tusschen de loodrecht op de kust staande ketenen (ria's). Op den zuidrand van de Nieuwcastiliaansche hoogvlakte staan de ketenen van de Siërra Mo re na. Ten /. hiervan dringt het Andalusische bekken, de vlakte van den Guadalquivir, ver in het land. Hier heeft men een echt Zuideuropeesch klimaat: warme en droge zomers en meer regenrijke winters. In het voor- en najaar is de natuur hier het schoonst. Langs de zuidkust verheft zich een hooggebergte, waarvan de Siërra X eva da, met den Mulhacen (3480 M.), het hoogste gedeelte is. Op den oostrand van de Castiliaansche hoogvlakte staat het Iberische randgebergte, dat in de bronnenrijke streek van Taag, Guadalaviar en Jucar den naam verdient van Iberisch bronnen land. In het NO. ligt de grootendeels dorre Aragonsche of Ebrovlakte, die door het Catalonische kustgebergte van de zee is afgesloten. Op de grenzen van Frankrijk verheffen zich de steile Pyreneeën, met toppen (Mont Perdu, Maladetta-groep) van ± 3400 M. Dit gebergte is arm aan bruikbare passen; spoorwegen leiden langs den west- en den oostvoet, langs de golf van Biskaje en de Middellandsche zee. Behalve in Portugal en Andalusië is de lage kustzoom slechts smal. In 't N. en Z. reikt het hoogland tot onmiddellijk aan de kust.

De belangrijkheid der Spaansche rivieren is niet geëvenredigd aan hare lengte. Vooreerst toch deelen zij in de eigenschap der Zuideuropeesche rivieren: in den zomer armoede, in den winter dikwijls overvloed van water. Verder hebben zij zich diepe beddingen met steile wanden in het rotsachtige hoogland uitgeslepen en lijden zij aan

Sluiten