Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkste strijkt langs de zuidkust, de tweede bereikt deze kust bij Dover; de derde omsluit aan de oostzijde de lage polderstreken bij de Washbaai en de vierde, zich als het Centraal Tafelland verbreedende, slaat eindelijk een geheel noordelijke richting in, om den Humber over te steken en als York Moors ten N. van Huil te eindigen. De Theems en de Humber (vereeniging van Ou se en Trent), beide met breede mondingen, de hoofdrivieren der vlakte, doorbreken de beide eerste heuvelruggen.

De heuvelrijen zijn ten deele zeer laag en toch vormen ze ook dan nog een karakteristieke afwisseling in het landschap. Ze bestaan niet, als de Noordduitsche landrug en onze vaderlandsche grintheuvels, uit losse, jonge lagen, maar uit oudere gesteenten — kalk, krijt, zandsteen —, als de Fransche heuvelrijen; dikwijls bezitten ze aan ééne zijde sterke hellingen. De genoemde gesteenten laten het regenwater door en zoo zijn de bovenvlakken meest dor en weinig bewoond, gewoonlijk voor schapenteelt in gebruik; rijen van plaatsen liggen aan den voet, waar het water ontwelt. De lagere deelen der vlakte tusschen de heuvelrijen zijn meest met vruchtbaar leem bedekt; het zijn de streken van Engeland's runderteelt — meer in 't westen — en landbouw — meer in 't oosten, dat droger is.

De Engelsche laagvlakte is het eigenlijk gebied der landsgeschiedenis vóór de 19e eeuw; wol was toen het voornaamste uitvoerartikel des rijks. In de vlakte liggen de zetels der Engelsche wetenschap (hoogescholen te Londen, Oxford, een prachtige oude stad (50) en Cambridge), de kathedralen der rijke Anglicaansche kerk (zetels der aartsbisschoppen: York (80) en Canterbury (25); de statige sloten van den hoogen adel met hunne rijke kunstverzamelingen en hunne groote ,,parken"; de talrijke landhuizen der kleinere grondbezitters, de dikwijls schilderachtige en fraai gelegen boerendorpen. Maar ook ligt hier de grootste stad der wereld, die voor een wijden omtrek alle groothandel en nijverheid aan zich trekt, en welker omgeving het eenige zeer dicht bevolkte deel der vlakte uitmaakt.

Sluiten