Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cr in de Slavische staten cenige vooruitgang. De Slaven zijn meest landbouwers en veehouders; de Grieken, vooral in de kuststreken, ook handelslieden en zeevaarders; ook in Turkije drijven ze, met de Armeniërs, den handel grootendeels. De industrie is weinig ontwikkeld en grootendeels huisvlijt.

Wij beginnen de beschouwing van de afzonderlijke deelen Grieken-1" met Griekenland. Dit land toont sprekend, dat land. de bodemvorm nu eens gunstig, dan weer ongunstig kan inwerken. Geopend met vele golven en eilanden naar den kant van het in de Oudheid reeds beschaafde Voor-Azië en Egypte, afgesloten naar het N. tegen de invallen van woeste barbaren door een doolhof van gebergten , werd Griekenland in de oudheid een kweekplaats der beschaving. Maar dezelfde beschermende gebergten werden later de scheidsmuur, die de gemeenschap niet Middel-Europa afsneed. Wie Griekenland van het N. wilde binnendringen, had vele moeilijkheden te overwinnen. Eerst waren het de Pin dus en Olympus die Thessalië afsluiten; dan versperde de steile Othrys den doorgang; daarna liet de Oeta bij Thermopylae slechts een smallen weg langs de kust open. Wie verder in liet bekken van 1 hebe en de vlakte van Attika wilde doordringen, moest telkens nieuwe bergen beklimmen. De toegang tot denPeloponnesus kon op de landengte van Korinthe gemakkelijk worden afgesloten, en ten Z. van dezen isthmus, waar de golven van Salamis en Korinthe elkander naderen, begonnen de moeilijkheden eerst recht. Daardoor kwam het ook, dat de Grieken zoo lang verschillende staatjes bleven vormen, die slechts opéén terrein elkander ontmoetten: op de zee, die allen verbond. De Grieken zijn te allen tijde een kustvolk geweest en zijn het nog. Buiten het eigenlijke Griekenland bewonen zij de kusten van Macedonië, Thracië en Klein-Azië.

Het tegenwoordige Griekenland omvat Thessalië, de oosthelft "van Epirus, Hellas, den Peloponnesus, E u b o e a, de Noordel ij ke S p o r a d c n , de C y k 1 a d e n

Sluiten