Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet de vorming van het diluvium hebben geduurd. Hiertoe behoort het groote terrein der zandgronden (behalve duinen en zandstuivingen), die ten deele fijn en grof grint en keien bevatten, en afwisselen met leembeddingen, waarin ook veelal keien liggen. Onder het alluvium bereikt het diluvium zijn grootste dikte, tot ± 150 M. In 't O. en Z. des lands komen oudere gronden er hier en daar doorheen of dicht aan het oppervlak.

Het diluvium is gevormd in den ijstijd, toen geheel Noord Europa, als thans Groenland, bedekt was met het landijs, dat ook de noordelijke helft van Nederland ongeveer tot het Rijndal — bereikte, en daar zijne gronden eindmoreenen neerlegde. In Overijsel en zuidwaarts tot het Rijndal wisselden deze af met zuidelijker gesteenten, die door den Rijn zijn aangevoerd. Men spreekt daarom van noordelijk diluvium, in en om Drente, en gemengd diluvium. In Vlaanderen, Brabant en Limburg ligt het zuidelijk diluvium, dat geheel door Rijn, Maas en Schelde is aangebracht, die toen gevoed werden door groote gletsjers, die op de Midden-Europeesche gebergten voorkwamen.

Waarschijnlijk ook uit den diluvialen tijd afkomstig is de löss (Limburgsche klei), de vruchtbare grondsoort, die het grootste deel van Zuid-Limburg bedekt, en zich naar weerszijden in België en Duitschland voortzet. Of ze door wind of water is neergelegd, is nog niet uitgemaakt. Eenigszins er op gelijkend zijn de leemgronden, die op den Veluwe-zoom en langs den noordrand der Nijmeegsche

heuvels liggen.

Alluvium en diluvium vat men samen als quartair, dus als ontstaan in het jongste tijdvak van de geschiedenis der aardkorst. Uit den voorafgaanden, tertiairen tijd zijn hier te lande eenige leemgronden aanwezig, zoowel in het oosten van Twente en de Graafschap als in ZuidLimburg en op de grens van ZeeuwschA laanderen. Die in 't Oosten verschillen in tijd en wijze van ontstaan van die in 't Zuiden. De eerste zijn in een zee afgezet, want men heeft er zeeschelpen, haaientanden en beenderen van

Sluiten