Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebied van het Rijnsche plateau. Het hoogste deel zijn de mggen langs de zuidgrens, die boven 200 M. reiken, liet hoogste punt, in 't ZO., is 322 M. Ken beschrijving volgt bij de bespreking der landschappen ; evenzoo voor de heuvelruggen van het diluvium. Alleen zij hier erop gewezen, dat in het zuidelijk en noordelijk diluvium weinig heuvelvorming voorkomt, terwijl het gemengd diluvium door een aantal heuvelruggen doorsneden wordt, die bijna alle een richting noord-zuid hebben. Dit is ook de hoofdstrekking van de vlakke verheffingen in 't N. en Z., de Hondsrug en de Peel, beide met afwijking naar t \\ .

^ 3 Het Water. Ten opzichte van den waterafvoer bestaat tusschen de beide helften des lands een tegenstelling. De oostelijke, hoogste helft, in t algemeen gesproken de diluviale gronden met de daarop gelegen venen, beek- en rivierbezinkingen omvattende, heeft natuurlijke afwatering. Daar vloeit het grondwater het in den bodem gedrongen regenwater — door de helling \ an den grond langs beken en kleine rivieren, langs greppels, slooten en kanalen naar de hoofdrivieren of ook rechtstreeks naar zee.

Geheel anders echter, tevens anders dan in bijna alle overige deelen der aardoppervlakte, is het in de noordelijke en westelijke lage helft onzes lands; grootendeels beneden den gemiddelden stand der zee en geheel beneden de vloedstanden gelegen. Deze moet tegen het buitenwater, d. i. het water der zee en der groote rivieren, beschermd worden door dijken, voor zoover de zeekust niet hoog genoeg is. Ook heeft men de kleinere wateren, in dit deel des lands gelegen, door waterkeeringen (sluizen) van het zee- en rivierwater afgesloten. Men noemt ze boezemwateren. Dit gebied van kunstmatige waterloozing heet het polderland, het land van dijken, kaden, sluizen en watermolens, waarover in § 7 nader wordt gesproken.

In beide helften des lands zijn streken, die in een uitzonderingstoestand verkeeren; ze hebben geen zichtbare,

Sluiten