Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de Berkel en Schipbeek in den benedenloop slechts 36 M3, bij de Vecht te Ommen 200 M3.

Veel onbeduidender zijn de Drentsche diepen en de Sallandsche w eteringen; de beken aan de oostzijde der Veluwe hebben zeer waterrijke bronnen (sprengen) en in den bovenloop een groot verval, waardoor ze molens kunnen drijven.

§ 6. Getijden en getij wateren. Langs onze kust beweegt zich een uit 't Z. komende vloedgolf, die naar 't N. in hoogte afneemt: te Vlissingen stijgt de gewone vloed 3.6 M. boven de eb, de springvloed 4.6 M., bij den Helder is de eerste nog slechts 1.25 M. Maar daarna wordt deze vloedgolf versterkt door een tweede, die oversteekt van de Engelsche kust, zoodat bij Delfzijl de vloedhoogte 3.7 M. is.

De Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche stroomen , noordwaarts tot en met Haringvliet en Hollandsch Diep, noemt men getij wateren. Het vloedwater uit zee loopt er met krach tigen stroom naar binnen en vult ze geheel, terwijl bij ebbe groote stukken (platen) droogloopen. In de noordelijkste en zuidelijkste stroomt rivierwater af, maar dat men ook daarbij niet met gewone riviermonden te doen heeft, blijkt, behalve uit de plotselinge toeneming in breedte, ook uit de diepte der geulen, die in YVester- en Ooster-Schelde tot 50 M. bedraagt.

Een natuurlijke riviermond is de Brielsche Maas, een kunstmatige de Nieuwe Waterweg. Ook in deze stroomt het vloedwater op. De vloedstroom is op de rivieren bij gewone standen merkbaar tot Gouda, Schoonhoven, Sliedrecht, terwijl het water nog wordt opgestuwd tot Vreeswijk, Zalt Bommel en Andel.

In de komvormige Zuiderzee verspreidt het vloedwater zich zoo sterk, dat de hoogte zeer gering is (o. 1 — 0.5 M.); daardoor is opstrooming op den IJsel bij gewonen stand slechts merkbaar tot Kampen, opstuwing tot Katerveer, bij sterke noordwesterstormen echter tot Zutfen. Ook Zwolle heeft dan groot waterbezwaar.

Sluiten