Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich bijzonder ontwikkeld, zooals in het Westland, in de Streek (tusschen Enkhuizen en Hoorn), aan den Langendijk ten N. van Alkmaar, om Delft en benoorden Rotterdam. Vruchten worden veel gekweekt in de Betuwe, in Utrecht nabij den Krommen Rijn, Zuid-Limburg, Noord- en ZuidHolland en Zuid-Beveland. De beroemde bloembollenteelt zetelt ten O. van de duinen van Leiden tot Litgeest, 't meest in den omtrek van Haarlem. De uitvoer van groenten , vruchten , bloembollen en heesters is aanzienlijk ; het meeste gaat naar Engeland en Duitschland. Sterk breidt de tuinbouw zich uit, vooral door de snelle verbindingen met het buitenland.

Als grasland is ruim '/a des lands in gebruik. 1-riesland is voor 3,5 weiland, Holland voor meer dan de helft. Runderteelt is van het meeste belang, in Noord-Holland en Friesland ook schapenteelt, waarbij komt de teelt der heideschapen, het meest in Drente; de schapenteelt neemt af, die van de heideschapen het sterkst. Zeer aanzienlijk is de uitvoer van boter, kaas en slachtvee. De oprichting der boter- en kaasfabrieken heeft een groote verbetering in het zuivelbedrijf gebracht. De paardenteelt gaat, on danks het toenemend gebruik van machines, niet achteruit. De varkensteelt is vooral voor de kleine landbouwers van belang en neemt geregeld toe.

Aan bijenteelt wordt het meest gedaan op de heidestreken, waar menigmaal de boekweitvelden in de nabijheid zijn. Vroeger was ze veel belangrijker dan nu, maar ze

neemt weer toe.

Van de boerenbedrijven (landbouw, veeteelt en tuinbouw samen) worden 54. <J/0 door eigenaars geëxploiteerd, 46% door pachters; in 1888 was het eerste cijfer 59 en het is geregeld verminderd, een ongunstig verschijnsel. In Groningen is het aantal eigenaars het grootst (75°/o)- maar overigens zijn alleen op de zandgronden veel meer eigenaars dan pachters. In Friesland is het aantal eigenaars het geringst (34 %)• Als een Sunst'S verschijnsel is te beschouwen, dat het aantal der kleine eigen bedrijven toeneemt.

Sluiten