Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuw bestanddeel der bevolking, de mijnwerkerskoloniën; ongeveer 5000 personen zijn thans in en bij de mijnen werkzaam en hun aantal vermeerdert voortdurend naarmate nieuwe schachten gereedkomen. De eenige oude mijn, die nog in ontginning is, is de reeds uit de 12e eeuw dagteekenende „Domaniale" bijKerkrade, zoo genoemd omdat ze aan den Staat behoort, die haar echter tot 1945 in exploitatie gegeven heeft aan een maatschappij ; een andere maatschappij, waarin Fransche invloed overwegend is, heeft een grootere concessie bij Heerlen, waar de mijnen OranjeNassau I en II in bedrijf zijn. Van twee Belgische maatschappijen is de eene sinds eenige jaren de exploitatie begonnen, bewesten Kerkrade; de andere, benoorden dat dorp. De eerste staatsmijn is de mijn Wilhelmina, tusschen Kerkrade en Heerlen, die in 1907 kolen ging leveren. In vollen gang is de voorbereiding voor een tweede staatsmijn , NW. van Heerlen, waar de staat een groot terrein voorbehouden heeft, dat van veel belang kan worden, omdat daar kostbare kolensoorten voorkomen. De mijnen nabij Kerkrade leveren alleen de oudste kolensoort, de magere kolen (anthraciet), die bij Heerlen ook vlamkolen, zeer geschikt voor stoomketels. Noordelijker komen ook de vetkolen voor, die in verschillende industrieën gebruikt worden en eindelijk de kostbare gaskolen, geschikt voor dezelfde doeleinden, maar bovendien voor de lichtgasbereiding. Hier in 't N. liggen een veertigtal ontginbare lagen boven elkaar; naar 't Z. toe vermindert dit aantal geleidelijk De dikte der lagen verschilt van 0.35 tot 1.85 M.; dunnere zijn onontginbaaf.

Het Maasdal vertoont in 't groot de eigenschappen der beekdalen: hooge, steile wanden en een breeden, vlakken bodem. Hier ontstond de eenige grootere stad van het gebied, Maastricht (37)1 aan het veer over de Maas, in den grooten heerbaan langs den voet der heuvels, waaraan Brussel, Aken en Keulen liggen en die westwaarts door het dal der Demer gaat, oostwaarts door dat der Geul. De veerplaats kwam te liggen waar een der hooge wanden, de

Sluiten