Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door straling, door geleiding en door convectie. De eerste werkt het sterkst; de zonnewarmte wordt door de aarde weer uitgestraald, maar in gewijzigden vorm, als donkere warmte, en de lucht heeft de eigenschap deze veel meer te absorbeeren dan de lichtende. De werking door geleiding werkt het meest dicht bij de aarde, weinig in de hoogere • luchtlagen: lucht is een slechte warmtegeleider. Die door convectie — de opgaande stroomingen, in de lucht veroorzaakt — gaat ook niet zeer hoog, omdat de lucht bij de opstijging afkoelt, doordat voor hare uitzetting onder den geringeren druk warmte verbruikt wordt. — Het verschil tusschen de luchttemperatuur en de stralende warmte der Zon is duidelijk merkbaar aan 't verschil in temperatuur tusschen een aan de Zon blootgestelde en een beschaduwde plek. In de poolstreken kan in den zonneschijn het pek uit de naden van een schip smelten, terwijl het in de schaduw vriest. Men leest daarom de luchttemperatuur af op een in de schaduw hangenden thermometer. Deze mag bovendien niet bij een warmen muur hangen, niet op een plaats, waar de lucht stagneert en niet te dicht bij den grond (minstens iM. hoog). In de stations hangt men de thermometers in huisjes met jalouzie-wanden

De warmtegraad der luchtlagen in de nabijheid der aardoppervlakte hangt hoofdzakelijk af van de volgende vier factoren.

1. De grootte van den hoek, waaronder de bestraling (insolatie) der Zon de aardoppervlakte treft. Deze factor veroorzaakt een dagelijksche periode (verschil tusschen dag- en nachttemperatuur) en een jaarlijksche periode (verschil in temperatuur tusschen de jaargetijden).

2. De lengte van den dag, die op den dagelijkschen gang grooten invloed oefent en de jaarlijksche periode versterkt, te meer naarmate de geographische breedte grooter is.

Op gemiddelde breedten is de afwisseling van den dag en nacht zoowel als die der jaargetijden in de temperatuur

Sluiten