Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Afrikaansche rivieren ontmoeten dichtbij den mond nog een dwarsdam, waar de erodeerende werking opnieuw be^ gint. De Donau heeft bij de IJzeren Poort nog eens weer een stuk bovenloop. — Bij een normale rivier wordt de bovenloop door erosie in een steeds lager niveau verlegd, doordien het dal steeds dieper insnijdt; de middelloop blijft ongeveer in hetzelfde niveau en in den benedenloop wordt de bedding opgehoogd. Het verval wordt alzoo in verloop van tijd geringer. Het krachtigst ontwikkeld is de erosiewerking bij die plaatsen, waar het de rivier nog niet is gelukt hare bedding tot een flauw afloopende lijn uit te slijpen, waar buitengewone moeilijkheden waren te overwinnen. Zij vormt dan stroomversnellingen of watervallen. De plaat bij blz. 217 stelt een waterval voorin de Slangenrivier, een bijrivier van de Columbia in westelijk Noord-Amerika. Het laat duidelijk zien, dat de rivier hare bedding in een hoogvlakte heeft uitgeslepen, alsook, dat zij in den val zeiven nog bezig is dat uitslijpingsproces aan rijen van rotsen, die nog uit het water opsteken, voort te zetten.

De rivier transporteert op drieërlei wijze:

ie. Steenen, grint en zand worden over den rivierbodem voortgerold en ondergaan daarbij een sorteeringsproces door de a&ieming der stroomsnelheid; bij bandjirs kunnen zeer zware rotsblokken worden meegevoerd.

2e. Slibdeeltjes worden in zwevenden toestand meegevoerd en in den benedenloop op de oevers afgezet of in zee gebracht. Het slibgehalte is in de tropen veel grooter dan bij ons. In den Rijn is het bij 1'annerden gemiddeld 37 gram per M3, in de beneden-Solo 2750 gram, dus bijna 75 maal zoo groot! De Solo heeft, naar men berekent, 8 maanden noodig om zijn stroomgebied 1 111M. te verlagen, de Rijn 6.3 jaar.

3e. Eenige zouten zijn in het water opgelost, vooral koolzure en zwavelzure kalk; keukenzout maar zeer weinig. In zee worden de beide eerste door de dierenwereld verbruikt.

25

Sluiten