Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het vasteland, in Azië op de eilandguirlandes. In verband met den laatsten kustvorm staan ongetwijfeld de lange, smalle en zeer diepe geulen, die de zee langs die kustgebergten hier en daar vormt. De meesten liggen langs de Aziatisch-Australische eilanden en daarin zijn de grootste bekende zeediepten gelood: 8513 M. bij deKoerilen, 8900 bij Mindanao (in 1907 ontdekt), 9636 bij de Marianen (zoover bekend het diepste punt van de aardkorst), 9427 bij de Kermadec-eilanden, benoorden Nieuw-Zeeland. Niet alleen de Oost-Indische, maar ook de West-Indische Archipel behooren tot het kusttype van den Grooten oceaan en merkwaardigerwijze liggen aan hunne buitenranden dan ook de diepste, eveneens geulvormige inzinkingen van den Atlantischen oceaan, in de Porto-Rico-geul (8526 M.), en van den Indischen oceaan, in de Soenda-geul bezuiden Java (7000 M., ontdekt in 1906).

De Xoordelijke IJszee hield men voor ondiep, totdat Nansen op zijn tocht met de Fram diepten vond tusschen 3000 en 4000 M.

De zeebodem is meestal met fijn verdeelde stoffen bedekt, die men in kust- en diepzeevormingen kan onderscheiden.

Kustvormingen. Deze zijn öf brandingsproducten öf door de rivieren en de winden aangevoerd. De zee is in dien zin het groote verzamelbekken voor de verweeringsen erosieproducten der vastelanden en eilanden. Van den bodem der Oostzee worden groote keien opgehaald en in de netten van de visschers bij de Eemsmonden zitten soms stukken vuursteen; beiden bestanddeelen van Scandinavische moreenen. Stroomingen en winden kunnen allerlei aanslibbings-verschijnselen met zich verplaatsende platen en banken op de kusten te voorschijn roepen. Kiezel en zand bedekken meest den bodem langs de kusten en in de ondiepe zeeën, terwijl de meeste diepere binnenzeeën, en de randgebieden der diepzeeën, bedekt zijn met fijn slib van vastelandschen oorsprong, meest blauw van kleur. Ze is met kalkhuisjes van zeedieren in grooten getale gemengd.

Sluiten