Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KORTE VERKLARING der voornaamste botanische kunsttermen.

Aar, een bloeiwijze met zittende of zeer kortgesteelde bloemen langs de bloemspil. Zij heet afgebroken, als er telkens deelen der spil zjjn, die geen bloemen dragen, ijl, als de bloemen vrjj ver van elkaar zijn geplaatst.

Aartje, een of meer bloemen bjj de grassen, die aan een gemeen-

schappeljjken steel zitten en door gemeenschappelijke Kaïjes omsloten worden ifig. i).

Aderen, de fijnere vertakkingen der bladnerven (het best te zien , door de bladen tegen het licht te houden).

Afgebroken aar, zie Aar.

Afgebroken gevind, zie Samengesteld blad.

Afgeknot, dwars afgesneden.

Afgestompt, aan den top afgerond.

Afloopend, bladen, wier bladmoes zich langs den stengel (soms tot het volgende blad) voortzet.

Afnemend gevind, zie Samengesteld blad.

Afstaand, met de as een hoek van 40° a 50" vormend.

Armbloemig, een bloeiwjjze, die slechts uit weinig bloemen

bestaat. Fig. i

A s. de stengel en diens takken (nevenassen) met betrekking tot de daaraan bevestigde bladen en bloemen.

Berijpt, niet een fijn, meest blauwachtig waas bedekt, zooals b.v. de pruimen

Bes, een geheel vleezige of sappige vrucht.

Beschubde bol, zie Bol.

Beursje, een zakje, waarin de hechtküertjes der stuifmeelklompjes der Orchidaceeën besloten zitten.

Blaadje le orde, zie Samengesteld blad.

Blaadje 2e orde, zie Samengesteld blad.

Blaadjes, de afzonderlijke bladen van een samengesteld blad.

Bladhoek, zie Bladoksel.

Bladoksel, de hoek, dien het blad met de as maakt, waaraan het bevestigd is.

Sluiten