Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bloemen zeer groot, roodgeel, reukeloos. Binnenste slippen van liet bloemdek met gegolfden rand, stomp. Buitenste nerven der bloem dekbladen door dwaisaderen verbonden. Stempel bolvormig. 0,(50-1,20. Juni, Juli. Sierplant uit de Zuidelijke Alpen, ook een enkele maal verwilderd. (Steenderen).

Bruine daglelie, f H. lulva L.

Bloemen kleiner, goudgeel, welriekend (Hg. 71). Slippen van het Woemdek.vlak , spits, met onvertakte nerven. Stempel b\jna 2-lobbig. 0,60 0,80. .Juni, Juli. Sierplant Gele daglelie. + H. Ilava L.

20. Fünkia Spr.

Bloenidek trechter-klokvormig. Meeldraden neergebogen. Bladen har^ormig-eirond. Trossen arnibloemig. Bloemen 0,10 lang, wit, welriekend. 0,.30-u^b0. 4. Augs., Septr. Sierplant uit Japan + * subcordata Spr.

Fig. 71. Hemerocallis nava. Fig. 72. Colehicum autumnale

<1 bloem in doorsnede,-b vrucht, « bloeiende,bvruchtdragende plant;

bil c in doorsnede. c stijl: d meeldraad: e doosvrucht

bt! f in doorsnede: g zaad.

21. Kniphófia Mnch.

1 Bloenidek rolrond-knotsvormig, kort, 6-tandig. Bladen 1(1 nvormig, gi'U-groen. 1,00-3,00.

Augs., Septr. Sierplant uit Kaapland T "• "lindes ''n0"-

22. Cólchicum Tm.

1 Bloemen wortelstandig, groot, alleenstaand of 2 bijeen (fig. 72). Bladen langwerpig lancetvormig, na den bloeitijd in het volgende voorjaar te gelijk met de doosvrucht verschijnend. Bloemdek lilakleurig , zelden wit. 0,05-0,20, de vruchtdragende plant tot 0,40.

Sluiten