Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 252. Ammophila arenaria.

n deel van de aarvormige pluim; 6 aardje, by c uit elkaar gelegd; d ooven^t kroonkaQe; e meeldraden, vruchtbeginsel en de 2 bloemdeksc hubbetjes.

Fig. 254. Milium effusum.

a kelk kaf je; b aartje; c meel draden en vruchtbeginsel, d, e vruchtjes: f zaad.

22. Milium L. Gicrstgras.

Zodevormende pluimgrassen met meestal breede, vlakke bladen en slanke, naar boven naakte halmen. Pluim groot, uitgespreid met kleine aartjes 1

spits. Haren circa '/3-maal zoo lang als de kroonkafjes. 0,50-1,00.

!(.. Juli, Augs. In duinen en zandheuvels, ook wel aangeplant. Algemeen. (Psamma arenaria R. et Sch.)

Zandhaver. Vrouwenkoren. IJle rogge.

Helm. A. arenaria Lk.

Levendiger groen. Tongetje nauwelijks half zoo lang, minder diep gespleten. Schijnaar lancetvormig, spits, min of meer bruinachtig. Kelkkafjes lancetvormig, prieravormig toegespitst. Haren circa half zoo lang als de kroonkafjes (fig. 253). 0,60-1,50. Vruchten zich nooit ontwikkelend. !).. Juli, Augs. Duinen, vooral op de Noordzec-eilanden. Vrij zeldzaam.

(P. baltica R. et Sch.) . . Noorsche helm. A. baltica Lk.

Sluiten