Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloem mannelijk. Onderste kroonkafje zonder naald. 0,60-1,20. 2j.. Juli, Augs. In de zeedninen en op zandheuvels in heidestreken. Vrij algemeen. Ook aangeplant.

Blauwe zeehciver. Zetliaver. Zandhaver. E. arenarius L.

48. Hórdeum L. Gerst. Garat.

Grassen met 2-, 4- of 6-rjjige aren 1

1 Kroonkafjes lancetvormig. Naalden haardun. Zijaartjes mannelijk,

koitgesteeld. Alle aartjes niet naalden. In het wild groeiende

planten 2

Kroonkafjes, althans die der middelste aartjes, breed, elliptisch. Naalden vlak. Gekweekte soorten 6

2 Aar zonder aartje aan den top, de spil tijdens den vruehttijd in leden

uiteenvallend. Zijdelingsche aartjes mannelijk, kort-gesteeld . 3

Aar met een aartje aan den top, met taaie spil. Aartjes zittend, 1-bloemig en meteen aanleg voor een 2e bloem, zeldzamer 2-bloemig. Kelkkafjes lyn-priemvormig, evenals de kroonkafjes kaal. Onderste kroonkafje met 23-maal zoo lange kafnaald. Onderste bladseheeden dichtbehaard. Bladen van boven verspreid behaard. Grasgroen, zodovormend. 0.*30-l,2u. Jnni, Juli. Boschplant. Bolsward. (Elymus europaeus L.)

Boschgerst. H. silvatieum Huds.

Deze plant gelijkt veel op Triticum caninum en nog meer op Brachypodium silvaticum, ook vertoonen de bladen de uitstekende, witte middelnerf. De vorm der aren is echter een duidelijk onderscheidend kenmerk.

3 Zijaartjes mannelijk. Kelkkafjes hoogstens 0,025 lang, duideljjk korter

dan de kroonkafjes met de naald er bij 4

Zyaartjes geslachtloos, uit 3 naalden bestaand. Kelkkafjes naaldvormig, tot 0,O>5 lang, langer dan de naalden der kroonkafjes. Stengel dun. slank, meest trekniktonstiieend.

Tongetje bijna ontbrekend. Bovenste bladscheede weinig buikig. Onderste kroonkafje

der middelste aartjes langwerpig-eirond, met tot 0,05 lange naald. <>,3O-0,ö0. Juni—Augs. Sierplant uit Amerika, ook verwilderd. (Middelburg) Kwispelgerst.

K w i s p e 1 g e r s t. a bundeltje aartjes; b bloeiend middelste

, n. juumuiii u. nartje: c stamper; d mannelyke bloem 4 Kelkkafjes der middelste aartjes bor- van een zwartje; e kafnaald; f vrucht, stelvormig gewimperd, lijn-priemvormig (fig. 328). Buitenste kelkkafje der zijdelingsche aartjes borstelvormig, ruw, het binnenste iets breeder (smal-lijnvormig), dicht bij den voet aan eene zijde gewimperd Stengel evenals de bladseheeden kaal. Bovenste bladscheede buikig. Grasgroen. 0,30-0,40. © en 00- Juni—Septr.

Sluiten