Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steunblaadjes, eindelingsche hoofdjes of' aren en vergroeidbladige, na het bloeien blijvende, de eenzadige peulen omhullende bloemkronen j

1 Bloemen wit, rood of geelachtig wit. Peul niet buiten den kelk

uitstekend 2

Bloemen helder geel, korter of langer gesteeld, aan den voet der bloemsteeltjes met kleine steeltjes met kleine schutblaadjes, later meest bruin. Peul uit den kelk stekend, 1-zadig. (Steen-, Tocht-, Schapenklaver) 21

2 Bloemen meest gesteeld. Keel van den kelk van binuen naakt,

zonder verbeven lijst of haarkrans. Stijl niet haakvormig gebogen. 3 Bloemen zittend. Stijl aan den top haakvormig gebogen. Bloemkroon na den bloei verwelkend, doch zitten blijvend. ... 9

3 Bloemen in hoofdjesachtige schermen, zonder omwindsel. Kelk 10-

nervig, niet 2-lippig, ia den vruchttoestand niet opgeblazen. Tauden alle even lang of de bovenste 2 langer. Peul 2-4-zadig. Vlag geheel of bjjna geheel vrij. Kelk half zoo lang als de bloemkroon. 4 Bloemen in hoofdjes, meest door bladen omgeven. Hoofdjes tijdens den vruchttijd bol- of eirond. Kelk meest 2-lippig, netvormig geaderd. Vruchtkelk buikig opgeblazen. Peul 1-4-zadig. Vlag niet de overige kroonbladen verbonden 6

4 Hoofdjes kort- of langgesteeld. Bloemen vrij Jaoggesteeld, na den

bloei hangend 5

Hoofdje» zittend. Bloemen zeer kort gesteeld. Kelk met horizontaal afstaande tanden, die alle even lang zijn. Tanden van den vruclitkelk met liartvormigen voet, plotseling priem vorniig toegespitst, de bovenste door een spitse bocht gescheiden. Bloemen klein, rose. 0,10-0,90. 0. Mei—Juli. Aangevoerd. Apeldoorn.

Kluwenklaver. T. glomeratum L.

5 De 2 bovenste kelktanden aan den voet door een ronde bocht, die

— J: _i_ -e i • i -ï . *

cvclj uicp «na ui uug uieper uuu ue overige gaat, gescueiden, aan den voet van elkaar afstaand (tig. 1011). Steunbladen kruidachtig. Binnenste bloemstelen 2- a 3-maal zoo lang als de kelkbuis. Stengel opstijgend of liggend, doch

nipt Vir»l nnLIimnl sltonnKl.uInn J 1

7 ^ivuuuiuviVU CJIUUUy

Fig. ion. zaam in een naald uitloopend. Blaadjes omgekeerd-eirond of eirond-langvverpig, aan weerszijden met omstreeks 20 aderen. Bloemkroon wit, later rose. 0,30-0.90. 2J.. Mei—Septr. In weiden, op grasgrond, tusschen klaver. Meest aangevoerd. Vrij algemeen. Ook gekweekt. Bas terd kl a v e r. T. hy bridum L

Ue var. Ii-elogan» Savi |T. elegans Savii heeft den stengel liggend, niet hol, naar boven iets behaard. Steunblaadjes eirond-lancet vorniig (fig. 1UI2). Blaadjes aan weerszoden niet omstreeks 40 aderen. Bloemkroon licht rose, later donkerder. Peul meest 2-zadig. Plant slanker, sierlijker dan de voriee O.HO-O.45. .inni. .i»ii On

als de vorige. Zeldzaam. Fig. 1012.

J)e 2 bovenste kelktanden door do spitse bocht, die minder diep

Sluiten