Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14 Bloemkroon buikig-buisvorroig, met korten 4-lobbigen zoorc, groot,

naar beneden geiicht Digitalis 6tS.

Bloemkroon groot, scheef buis-trechtervormig, met wyde keel en gelijkmatig 5-slipeigen zoom. Slippen ingesneden of 2-spletig. Meeldraden ingesloten.

Salpiglóssis «»».

15 Bloemkroon bijna bolrond, 2-lippig met smallen, 5-iobbigen zoom

(fig. 1168) 'Middenlob der onderlip teruggeslagen. Als begin van een 5en meeldraad is meest een klierachtige schub aanwezig.

S c r o ]i b u 1 a r i h ki2 Bloemkroon buis-trechtervormig, 2-lippig, met 2lobbige boven- en S-lobbige onderlip,

geel (fig. 1181) Miniulus ui 3.

Bloemkroon buikip-buisvormig, 2-lippig met iets ingesneden tot 2-deeligo boven- en S-spletige onderlip. Sierplant Pentitémon tJI.

16 Kelk buikig-opgebluzen, min of meer zijdelings t-amengedi ukt (tig.

1204). Bovenlip der bloemkroon samengedrukt, onder den top aan weerszijden met een tand. Bladen smal Aleutorólophus u<23. Kelk niet opgeblazen, buis- of klokvormig 17

17 Hukjes der vrucht veelzadig (fig. 1208). Doosviucht meest bebaard. 18 Hokjes der vrucht 1-2-zadig (fig. 1202). Doosvrucht glad. Zaden

glad. Bladen (niet te verwarren met de soms gekleurde schutbladen !) gaafrandig Melampyrnm 623.

18 Onderlip der bloemkroon met 3 uitgerande of 2-lubbige lobben.

Onderste belmbokjes der 2 kortste meeldraden langer genaaid dan de bovenste. Vrij teere planten . . . . Euphrasia eas. Onderlip der bloemkroon met 3 gave, stompe lobben. Helmbokjes alle gelijk toegespitst aan den voet. Planten 0,10—0,60 hoog. 19

19 Bloemen klein (0,004-0.008 lang) in dichte, eenzijdige trossen.

Bladen gaaf of weinig diep getand. Eenjarige, meest niet steik

vertakte planten Enphrinia «««.

Bloemen vrij groot, langer dan 0,008, in vrfl losse, meest eenzijdige trossen Bladen sterk getand. Eenjarige planten, weinig of niet vertakt. Parentucéllia »Jt. De familie der Scmphulanaceeiin wordt in 3 ondertamjliën verdeeld, nl. de Salpiglosseeën (gesl. Salpiglóssis), de A ntirrhioeeën (gesl. Verbascum, Soropbularia, Antirrhinum , Collinsia, Linaria, Nemesia, Gratiola, Calceolaria, 1'entstemon, Mimulus, Limosellu, Digitalis, Wulfenia en Veronica) en de Khinantbeeën (gesl. Melampyrum, Pedicularis, Alectorolophus, Euphrasia, Parentucellia, Latbraea, Paulownia).

1. Salpiglóssis R. et Pav. xiv.

1 Plant kherachtig-kleverig. Bladen gesteeld, langwerpig-elliptisch, bochtig, de bovenste zittend, lancet-lUnvormlg, bllna gaafrandin. Bloemen verschillend gekleurd, donkerpurper, soms in het midden oranje, donkerder geaderd, of ieel, vaak blauwpurper geteekend, wit, blauw geaderd, bruin met gele strepen enz. 0,30-0,60. 0. Juli-Septr. Sierplant uit Chili (S. variabiiis Hort.). -j-S. sinuuta R. et Pav.

2. Verbascum L. Toorts, v.

Viltig-wollig behaarde planten met reebtopataanden stengel, zittende of afloopende bladen en een eindelingschen tros of pluim van bloemen. 1

meukels, Gel//. Flora. 4Je druk.

Sluiten