Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kuolvörraig-yördiJct. 0,80-1,00. Juni-Augs. In bosschen op hooxe avonden Nijmegen, Mook, Kuilenburg Bosch walstroo. G. silvaticam L.

Pluim trosvormig, met korte zijtakken, dio vrij wel van beneden af

bloemen dragen (fig. 1328). Kroonslippen genaaid. Bladen inaar

voren min of meer verbreed, stekelpuntig, aan dèii rand meest

naar boven stekelig-ruw, aan weerszijden groen. Stengels meest

vele, vierkant. Bloemkroon vuilwit. Vruchten kaal, iets rimpeli"

(fig. 13304) . . . . . Weidewalstroo. G. Mollüao lT Vormen:

«. élatum Th ui 11. Stengel opstijgend of liggend, ook klimmend,

slap. Bladen langwerpig-lancetvormig, stomp, dof (tig. 1329b), teer. Pluim los, met horizontaal afstaande takken (fig. 1329a). Vrucht klein. Vruchtstelen vaak nauwelijks langer dan de vrucht, horizontaal afstaand of zelfs wat teruggeslagen. 0,801,20. 4. Mei—Septr. Aan heggen en in kreupelhout, aan wegen , dijken en grazige plaatsen. Vrij algemeen.

S. eréetum Huds. Stengel recht¬

opstaand, stijf. Bladen lang- fig- 1328. Galium Mollugo. werpig-lijnvormig, spits, met 2 " b,oenl: '' dezelfde in doorsnede, glanzende strepen naast de rugnerf, stevig. Pluim dichter met schuin afstaande takken (tig. 1330a). Bloemkroon zuiver wit, grooter. Vrucht groot. Vruchtstelen lane rechtopstaand. 0,30-0 80. Mei-Septr. Langs we<Ten dijken en heggen, op bouwland. Vrij algemeen.

Bloemkroon geelachtig-wit tot geel. Kroonslippen genaaid TakkAn h»,- <■

meer afstaand. Bladen in kransen van s ol meer min of meer °

sas. «a w. "Srr ?kr

verschillende plaats Geelwit walst^

II ötengels liggend, de bloeiende takken opstijgend. Bladen meest in kransen van 6, de onderste omgekeerd-eirond. dicht bijeen, de bovenste omgekecrd-lancetvormig, vrij ver van elkaar. Vruchten

Sluiten