Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•4 Omwindsel rolrond (fig. 1416). Omwiodselbladen lijnvormig. Straalbloemen ontbrekend of zeer kort, meest omgekruld .... 5 Omwindsel klokvormig. Omwindselbladen eirond tot lancetvormig.

Straalbloemen langer afstaand (fig. 1419) 7

5 Straalbloemen ontbrekend (fig. 1416). Buitenste omwindselblaadjes zeer kort, omstreeks voor de helft zwart. Bladen meest kaal, boebtig-vinspletig met (naar den voet) langzamerhand in grootte

atnemenae slippen. u,u/-u,3u. moeit bijna het geheele jaar. Op moesland, ook op bebouwde en onbebouwde gronden. Algemeen. Sensejoen. Pluiikruid. Kanariekruid. Kruiskruid. S. vulgaris L. Vergelijk ook S. Jaeobaea L. pag 331.

Straalbloemen meest omgerold, kort, lichtgeel 6

G Plant klierachtig-kleverig-bebaard. Buitenste omwindselblaadjes los, half zoo lang als

uc auuciot uuu uvu 6niu lav/utijj

1417é). Vruchten ten laatste kaal. 0,15-0,45. Q. Juni—Herfst. Op beschaduwden en bebouwden zandgrond, ook op ruige plaatsen, langs heggen en wallen en in de duinen. Vrij algemeen.

Kleverig kruiskruid. S. viscósus L. Plant zachtharig, zonder klieren. Buitenste omwindselbladen omstreeks '/s-maal zoo lang als de andere, meest niet zwartachtig

(hg. 14184). Vruchten aangedrukt-kort-behaard. 0,15-0,90. O- JUQi—Augs. Aan beschaduwde wallen, heggen, in bosschen en kreupelhout. Vrij algemeen.

Boschkruiskruid. S silvaticus L 7 Buitenste omwindselbladen 4-6, half zoo lang als de andere. Vruchten behaard. Bladen vindeelig, de onderste gesteeld, de overige zittend. Bladslippen lijnvormig, ongedeeld of getand tot vinspletig, de onderste kleiner, oorvormig.

Schermvormige tros met vele hoofdjes, dicht. Bloemkroon bleekgeel. 0.30-1,20. 2].. Augs., Septr. In kreupelbosschen, aan beplante dijken en wegen, in grazige duinvlakten. Vrij algemeen.

Smalbladkruiskruid. S erucifólius L.

Buitenste omwindselbladen 1-4, vele malen korter dan het omwindsel. Kandstandige vruchten kaal 8

8 Vruchten der scbijfbloemen dicht behaard. Ondersto bladen tijdens den bloeitijd meest afgestorven. Middennerf der bladen tusschen de slippen gaaf (tig 1419). Wortelstok afgeknot. Bloemstelen rechtopstaand, een grooten, tamelijk dichten, schermvormigen

Sluiten